Uitleg: d, t en dt
← TerugHieronder leggen we de belangrijkste regels uit. Lees ze rustig door en ga daarna oefenen!
1. Wat is de stam?
De stam is het hele werkwoord min -en.
werken → werk · spelen → speel · worden → word
2. ik = de stam
Bij "ik" gebruik je in de tegenwoordige tijd alleen de stam.
Ik werk. · Ik word groot. · Ik vind het leuk.
3. hij, zij, het en jij = stam + t
Bij hij, zij, het en bij jij (als het werkwoord ervóór staat) komt er een t achter de stam.
Hij werkt. · Zij speelt. · Jij fietst naar school.
4. d + t = dt
Eindigt de stam op een d? Dan komt de t er gewoon achter. Zo krijg je dt.
word + t = wordt · vind + t = vindt · antwoord + t = antwoordt
5. jij achter het werkwoord = geen t
Staat "jij" ná het werkwoord? Dan valt de t weg.
Jij wordt groot. → Word jij groot? · Jij fietst. → Fiets jij mee?
6. wij, jullie, zij = het hele werkwoord
Bij een meervoudig onderwerp gebruik je het hele werkwoord.
Wij werken. · Jullie spelen. · De kinderen fietsen.
7. Verleden tijd: 't kofschip
In de verleden tijd kies je tussen -te(n) en -de(n). Eindigt de stam op een letter uit 't kofschip (t, k, f, s, ch, p)? Dan kies je -te(n). Anders -de(n).
werk → werkte · fiets → fietste · speel → speelde · antwoord → antwoordde